Nieuw Boek 1 Burgerlijk Wetboek voerde een stille revolutie door, met name de innovatieve mogelijkheid om bij opzettelijke fouten niet alleen vergoeding te vorderen voor de schade maar ook de gedwongen afdracht van de winst die werd behaald door de pleger van de opzettelijke fout.
Artikel 1.11. ‘Oogmerk om te schaden’ bepaalt thans immers: “De opzettelijke fout, gepleegd met het oogmerk te schaden of uit winstbejag, mag de dader geen voordeel verschaffen.” In de Memorie van Toelichting wordt de draagwijdte van nieuw artikel 1.11 B.W. als volgt omschreven: “Dit houdt ook in dat de dader tot winstafdracht kan worden veroordeeld (zie. E. Dirix “Het algemeen rechtsbeginsel: misdaad mag niet lonen”, Liber amicorum Hélène Casman, Antwerpen, 2013, 183 e.v; M. Kruithof, “De vordering tot voordeelsafdracht”, TPR 2011, 13 e.v.)”.
Dit komt neer op een wettelijke verankering van het principe van winstafdracht, die algemeen toepassing vindt indien de fout wordt gepleegd met het oogmerk te schaden of uit winstbejag.
De verruimde vergoeding in geval de schade opzettelijk wordt veroorzaakt, kan ook worden beschouwd als een bijzondere vertaling van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit. Volgens de meest recente rechtspraak van het Hof van Cassatie omvat dit ook een verbod op onrechtmatige winst “Het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit, dat eraan in de weg staat dat het bedrog de dader voordeel verschaft.”
Deze nieuwe bepaling kan in vele contexten soelaas bieden. Klassiek is bijvoorbeeld de case van een bestuurder, manager of werknemer die de eigen vennootschap onrechtmatig concurrentie aandoet. Ook al staat de inbreuk vast, de schade is vaak moeilijk te bewijzen. De rechtspraak houdt (in onze ervaring) streng de hand aan de vereiste om aan te tonen welke contracten zouden zijn gesloten/winst zou zijn gemaakt, zonder de verboden concurrentie. Geen sinecure. Nu zou de benadeelde partij niet alleen de eigen gederfde winst kunnen vorderen maar ook de gedwongen afgifte van de winst van de onrechtmatige concurrent.
Wij pleiten er evenwel voor om de nieuwe bepaling van artikel 1.11 B.W. in die zin te interpreteren dat dit enkel een mogelijkheid biedt voor de rechter maar geen (absolute) verplichting. De rechter kan derhalve overgaan tot het bevelen van een geheel of gedeeltelijke winstafdracht, rekening houdend met alle omstandigheden. Dit biedt een nieuwe mogelijkheid zonder dat het evenwel een automatisme wordt. Op die manier wordt ook tegemoet gekomen aan de kritiek dat dit niet in alle hypotheses een billijk resultaat zou geven. Hiermee kan worden aangesloten bij de lezing die de Nederlandse Hoge Raad geeft aan artikel 6:104 Nederlands B.W.
Niettemin is de precieze draagwijdte van nieuw artikel 1.11 nog niet uitgekristalliseerd en zal de praktijk uitwijzen hoever de rechtspraak hierin gaat.
Aansluitend is het zo dat sinds 1 januari ll. ook nieuw Boek 6 B.W. een bijzondere bepaling bevat inzake winstafdracht ingeval van schending van persoonlijkheidsrechten. Artikel 6.33 §3 B.W. stelt immers: “Wanneer de aansprakelijke, opzettelijk en met de bedoeling winst te realiseren, inbreuk heeft gemaakt op een persoonlijkheidsrecht van de benadeelde of zijn eer of reputatie heeft aangetast, kan de rechter de benadeelde een bijkomende vergoeding toekennen gelijk aan het geheel of een deel van de nettowinst gerealiseerd door de aansprakelijke”.
Hoe dit zich verhoudt met de algemene bepaling van artikel 1.11 B.W. wordt op heden niet verduidelijkt door de wetgever. De meerderheid van de doctrine beschouwt dit als een bijzonder toepassingsgeval van het algemeen rechtsbeginsel, zoals thans verankerd in artikel 1.11 B.W.